Van Helstraat tot Herbenusstraat te Maastricht - een tijdsbeeld. Militairen, industrie en wonen.

Anna Dekkers.i. Bij de voorouders van Anna DEKKERS (1865-1941), de echtgenote van Joannes Hubertus HENKET (1854-1915) zien we opmerkelijke feiten: zij was ovenwerkster van beroep, op latere leeftijd zonder beroep. Zij wordt geboren op 9 april 1865 te Maastricht in de Kruisheerengang 2042. De getuigen bij de aangifte van haar geboorte op 9 april 1865 om half zes 's avonds zijn: Jacob Hubert SCHARIS, dagloner en Joannes Baptist LENOIR, dagloner; vroedvrouw is Maria Catharina STROEM, allen van Maastricht. De vroedvrouw doet aangifte, omdat de natuurlijke vader van dit kind  onbekend of afwezig is. Zij is door haar moeder, Ida DEKKERS, zonder beroep, te Maastricht wonende, bij akte “den 16 Februarij 1888 verleden voor den Ambtenaer van den Burgerlijken Stand aldaar”, erkend geworden. "Haar echtgenoot Jan overlijdt op 18 april 1915 in de Kleine Looiersstraat 6 te Maastricht. Jan, geboortig van Sint Pieter, eerst nog landbouwer, dan militair - ingelijfd na loting (nr. 3) voor de Nationale Militie, Jan Henket.lichting 1874; milicien plaatsvervanger 2de regiment veld artillerie lichting 5 mei 1885 te Delft -, later dagloner en ovenwerker/fabrieksarbeider, overleed aan de zgn. "Pottemennekeskrenkde", ook wel "stöplonge" genoemd (een longaandoening als gevolg van ongezond werk in de aardewerkindustrie). Zie: Militaire keuringen en remplaçanten. Het moet een hele shock geweest zijn voor Jan, afkomstig van het kleine en besloten hoveniersdorp St. Pieter, via de militaire dienst, volledig geconfronteerd te worden met de industriestad Maastricht met al zijn negatieve kenmerken. De weduwe Anna Dekkers had nog 5 kinderen om voor te zorgen (in totaal waren er 13 kinderen geboren, waarvan 7 jong overleden). Ber was de jongste zoon en moest als tienjarige van school af en bijdragen aan de gezinsinkomsten: er moest "brood op de plank". In het adresboek van Maastricht en Wijk van 1921 staat vermeld: Henket-Dekkers wed. A. z.b. St. Antoniusstraat 90. In 1923 is het adres Vijfkoppen 1 en in 1929 Plankstraat 20; alle adressen te Maastricht. Anna overleed op 16 april 1941 Kommel(straat) 38 te Maastricht. Haar zoon Ber HENKET zullen wij nog volgen in zijn verdere arbeidzame leven, omdat dit een tijdsbeeld oplevert wat velen zullen herkennen. Zie: Jan Bernard Henket.

Bovenstaand: een foto van Anna Dekkers, afkomstig uit haar paspoort afgegeven op 2 oktober 1939 te Maastricht en haar echtgenoot Joannes Hubertus Henket. Rechts beneden: de rekening voor de begrafenis van Anna Dekkers uit 1941. Foto's: collectie Breur Henket (met dank aan Annie Frissen).

ii. Haar moeder Ida DEKKERS (1829-1900) was van beroep dagloonster, groenteverkoopster en zonder. Zij was de stiefdochter van Berend Fredrik SCHARRENBERG. De getuigen van de aangifte van haar geboorte op 15 april 1829 te Maastricht, Raamstraat nr. 11 waren Maria Anna MARTIN, vroedvrouw, wonend in de Jodenstraat te Maastricht - echtgenote van Gilles RUTTEN -, 40 jaar oud; Lambertus DODEMONT, koekbakkersgezel, 42 jaar en Martinus FRANCKEN uit Eijsden, metselaar, 38 jaar oud. Zij overlijdt 16 juli 1900 in de St. Pieterstraat te Maastricht. Zij kreeg 7 "natuurlijke niet erkende" dochters!

iii. Haar moeder, Joanna DEKKERS (1803-1875) was “fille illégitime” van Elisabeth DEKKERS, alias VAN DER LIJKE. De getuigen van de aangifte van haar geboorte - 9 december 1803 te Maastricht, Rue de l'Enfer (Helstraat) - waren Chrétien AGASTIE, tellier, 33 jaar oud; Jean Louis HERELBET, gepensioneerd soldaat, 58 jaar oud en de vroedvrouw (sage femme) Marie Catherine BROSKIJ (uit de Bokstraat 39 te Maastricht). Zij was breister en dagloonster van beroep. Zij huwt in 1842 Berend Fredrik SCHARRENBERG (1816-1887), afkomstig uit Zutphen. Deze wordt de stiefvader van haar kinderen: 3 onwettige dochters.

 

 

 

 

 

De geboorteakte van Joanna Dekkers van 9 december 1803; vroedvrouw Marie Catherine Broskij doet aangifte omdat de vader "niet aanwezig is".

iv. Haar moeder Elisabeth DEKKERS (1771-1821) genoemd als "Veuve VAN DER LIEKE" (alias VAN DER LINDEN / VAN DER LIJKE / VANDERLIEKEN) was een dochter van Philippe DEKKERS en Maria Catharina MEIJ. Zij was van beroep breister, strijkster, fruitverkoopster en arbeidster. Haar overlijden wordt aangegeven door Lodewijk SCHORS, vermeld als zoon van de overledene. Zij overlijdt 3 januari 1821 "in de hel straat n° 935", nu nr. 27, "in het achterhuis", 50 jaar oud. Zij huwde 3 december 1786 te Maastricht met Joannes VAN DER LIEKE (dispensatie in derde graad); kreeg een relatie met Johann Petrus SCHORS, wonende te 's-Gravenvoeren, waaruit in 1796 een onwettige zoon: Ludovicus SCHORS. Deze Lodewijk wordt fusilier in het derde bataillon 11 division infanterie national en verblijft te 's-Gravenvoeren (Fouron-le-Comte). Elisabeth baart in 1803 en vervolgens in 1806 wederom "filles illégitime" genaamd DEKKERS, de vaders dus onbekend.

Drie generaties DEKKERS zonder wettige vaders! 

 

 

De Sint Bernardusstraat nr. 27 anno 2001.

 

 

 

De Helstraat voor de restauratie van de Helpoort in 1881 door rijksbouwmeester J. van Lokhorst. De ramen aan de noordzijde van de Helpoort zijn nog niet aanwezig. De oude naam van de buurt rond de Helpoort was Hoogbruggen.

 

 

 

De Helstraat anno 1905. In het huis vóór het eerste uithangbord woonde madame Dumoulin. In het laatste huis voor de Helpoort was P. van Roy met zijn meisjes gehuisvest. Foto: HCL Maastricht.

De Helpoort vanaf de buitenzijde eerste omwalling.

 

 

 

 

 

 

 

 

Maastricht in 1923 met o.a. beelden van de Sint Bernardusstraat:

 

Boy Ravesteijn maakte in 1977 in het groevestelsel van de St. Pietersberg een tekening van de Helstraat en Helpoort.

Enkele van de vrouwen DEKKERS woonden in de “Rue de l'Enfer” - de vroegere Helstraat, nu de St. Bernardusstraat - een straat bekend om zijn talrijke achterkamers en beruchte etablissementen. Wellicht is dit de oorzaak van de vele onbekende vaders. De grote hoevelheid ongeschoolde arbeiders werkten vaak voor een hongerloon; de woningnood was groot. Veel woonhuizen verworden tot pakhuizen voor mensen. Drank en sex was volop te koop, met alle gevolgen van dien. 

Een doorkijkje via de Helpoort naar de Sint Bernardusstraat. Bron: collectie RijksArchief Limburg, Prenten, tekeningen- en fotocollectie [2308] 01.01.1970.

De Sint Bernardusstraat richting Onze Lieve Vrouweplein. Bron: collectie RijksArchief Limburg, Prenten, tekeningen- en fotocollectie [68] 01.01.1970.

 

 

 

 

 

 

Au Cheval Noir 1743 Sint Bernardusstraat 14 (Wijnands). Bron: J. Bartelet Cd- Maastrichtse Gevelstenen.

De Helstraat eindigt (of begint) bij de Helpoort die deel uitmaakt van de eerste ommuring van Maastricht, na 1229 gebouwd, de oudste stadspoort van Nederland. De omgeving en de straat spelen als locatie een belangrijke rol bij het gebeuren rondom Pater Vink. Zie: Navagne / Van 't gruwelijk verraet in den jaere 1638 op Maestricht gepractiseert.

Wellicht predikte Bernardus van Clairvaux (1090-1153) de tweede kruistocht op de hoek van deze straat en het Onze Lieve Vrouweplein. 1147 bezocht hij Maastricht en overnachtte bij de deken van het Onze-Lieve-Vrouwe-kapittel. Vandaar de huidige naamgeving van de straat: Sint Bernardusstraat.

De naam Helstraat is ontstaan door het hellend verloop van deze straat. De Helpoort ligt aan het oorspronkelijk hoger gelegen gedeelte van de straat.Ook was er een herberg "In de Helle". Of de naamgeving iets met de "verderfelijke" activiteiten welke zich in deze straat met zijn vele herbergen afspeelden te maken heeft, is niet erg waarschijnlijk. De leef-, woon- en werkomstandigheden in deze buurt zullen vooral voor veel bewoners uit de 19de eeuw het leven wel vaker tot een hel hebben gemaakt hebben.

Artikel uit: Verboden vruchten in de hemelse Helstraat. Archief Sprokkels 14. Maaspost 30 jun 1993. F. Roebroeks G.A.M.:

in 1567 werd de weerbaarheid van Maastricht als vestingstad verhoogd toen er op last van Landvoogdes Margaretha van Parma een garnizoen werd gelegerd. Dit besluit zou, economisch gezien, grote gevolgen hebben voor de stad. Vanaf genoemd jaar tot 1867. precies drie eeuwen dus, bleven honderden en in sommige tijden zelfs duizenden soldaten binnen de stad gekazerneerd. De soldaten, die het "Bolwerk der Nederlanden" dienden te beschermen tegen vijandelijke troepen, zorgden niet alleen voor veiligheid, maar ook voor de nodige inkomsten. De vele duizenden huurlingen en militairen lieten door de eeuwen heen bij menig neringdoende en middenstander de kassa aardig rinkelen. Er waren echter twee bedrijfstakken die bovenmatig profiteerden van de driften en noden van de manschappen, n.l. de kroegen en de zogenaamde "publieke huizen" waar dames van lichte zeden hun werkzaamheden verrichtten. Over twee van deze huizen in de negentiende eeuw handelt deze bijdrage. Een straat die op dat gebied een reputatie had hoog te houden was de Helstraat (thans Sint Bernardusstraat). In 1865 werd daar het pand met de huidige nummer 31 bewoond door de weduwe Dumoulin en tien jonge dames, terwijl in het huis met nummer 39 (nu verdwenen) een zekere Van Roy de "publieke huishouding" voerde. Ofschoon er in de Helstraat in die tijd nog andere dames van lichte zeden emplooi vonden, concentreren we ons op deze twee met naam genoemde "huizen". Zoals in zoveel branches het geval was, bestond tussen beide 'ondernemingen' een grote rivaliteit en animositeit: de vraag was groot, het aanbod echter ook. Op allerlei manieren trachtten de 'huizen' elkaar de klanten af te troggelen. Daarbij schuwde men niet om vreemde verhalen en wilde geruchten over de concurrentie in de wereld te brengen of zelfs de politie in te schakelen! Zo klaagde de 'hoeren-madam" Dumoulin haar collega Van Roy aan bij de politie wegens het in dienst hebben van een minderjarig meisje. Van Roy verdedigt zich tegen beschuldiging in een brief aan de commissaris van politie. De brief is bewaard in het archief van de politie bij de Gemeentearchief en luidt (letterlijk) als volgt:

Maastricht, den 15 februari 1865 Aan den Weledele Heer Commissaris van Politie Wel Edelen Heer,

Wanneer men eenmaal in zijn karakter verkracht en in het belangen benadeeld is, tracht men zich in het vervolg hiervan vrij te waren en toch zijn er omstandigheden, welke door vijandelijke toedracht deze of geene verder benadeelen willen. Nooit of nimmer ben ik oorzaak geweest, alhoewel in mijne betrekking van publieke huishouding, om de minste aanleiding gegeven te heben tot stooren der rust van stad of den lande Zulks moet vooraf gezegd zijn en nu tot het daadzakelijk. Het schijnt als zoude ik aangetigd wezen om een minderjarig meisje huisvesting te hebben verleend en wel volgens zeggen eene genoemde Kaatje Pepers, dat deze ongegronde aanklacht geschiedt zoude zijn door zekere E. Dumoulin, een mijner buurvrouwen, die zeker niet dulden kan dat een ander leeft. In alle geval neem ik niet op mij derzelver bedoeling te schatten, alleen W.E. Heer laat ik de volgende denkwijze aan uw advies over. Ik vraag dan, wie zoude in onze hoedanigheid van publieke huishouding minderjarige meisjes aanlokken ik danwel Madam E. Dumoulin, welke er regt voor uitkomt dat zij geen toezicht van politie schuwt, ten bewijze 3 door dit huis afgeven adreskaartje welke hierbij ingesloten zijn en die bij honderden konden verzameld worden. Ik laat alzoo die valsche voorgevens ter uwer bedenking over en twijfel geentzins U.E Heer of uwe onpartijdigheid en regtschapenheid zal ieder onbevooroordeeld gunst laten genieten. Met de meeste hoogachting,

 Uw onderdanige dienaar. P J. van Roy

Visitekaartje Wed. Dumoulin, Helstraat 31.

Ook de in de brief vermelde adreskaartjes zijn nog bewaard gebleven. Wat opvalt is dat het kaartje niet in woorden de "bedrijfstak" vermeldt. Een goede beschouwer ziet echter genoeg: een vrouw staat uitnodigend in een half geopende deur, terwijl achter de ramen duidelijk de hoofden van vrouwen zichtbaar zijn. Zelfs in de sierlijke krullen rond de naam "Maestricht" zijn symbolen verborgen die voor zich spreken! Zie ook: Vijfde sprokkel.


Detail visitekaartje.

 

St. Bernardusstraat 27-37 te Maastricht anno 2009.

 

Militaire keuringen en remplaçanten.

De algemene dienstplicht werd door de overheid ingevoerd in 1811. De Franse wetgeving werd van kracht in heel "Nederland" per 1 maart 1811.

Het was de Franse tijd en de dienstplicht werd de conscriptie genoemd. Deze bestond tot 1813. De conscriptielijsten zijn eenvoudige alfabetische lijsten van alle jongemannen van 19 jaar, met vermelding van geboortedatum. In 1814 werd deze algemene dienstplicht verzacht  tot een systeem van vrijwillige dienst, aangevuld door lotelingen, en de mogelijkheid zich door remplaçanten te laten vervangen. Ten tijde van de Nationale Militie waren de mogelijkheden om aan de dienstplicht te ontkomen:

 A.  Door de overheid bepaald:

  • afkeuren op lichamelijke gebreken genoemd in het Nationale Militie en Lichaamsgebreken Reglement van 1862. Dit Reglement trad in werking op 14 april 1862 en blijft gelden tot 1 mei 1871. Bron: Staatsblad 1862 (no. 34) v.a. blz. 25.

Enkele voorbeelden uit dit reglement:

No. 1. * Geheel of gedeeltelijk gemis van hoofdhaar in zoodanige graad, dat het hoofd niet genoegzaam is beschut, of het dragen van het hoofdtooisel bemoeilijk wordt.
No. 2. Te groote ligchaamsomvang door vetvorming gepaard met stoornis in de verrigtingen.
No. 3. * Algemene of plaatselijke vermagering, gepaard met lichaamszwakte.
No. 4. * Hoornuitwassen.
No. 5. * Hoofdzeer (tinea).
No. 6. * Poolsche vlecht (plica).
No. 7. * Verouderde en hardnekkige huidziekten, bijv. baardvin (mentagra), schrub-uitslag (psoriasis) visch-schub-uitslag in den hoornachtigen vorm (ichtyosis cornea) en de zoogenaamde Yaws.
No. 8. * Verouderde en hardnekkige venerische huidziekte (syphilides, condylomata). T/m No. 357. * Doofstomheid (surdomutitas).
 

Ons bekend,
De Minister van Oorlog
,
J.W. Blanken.
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
Thorbecke.
W.J.C.H. v. Kattendyke.

  • vrijstelling

B.  Door de loteling bepaald:

  • inschakelen van een nummerverwisselaar

  • inschakelen van een plaatsvervanger

De loting.

Iedere jongen kreeg een lotnummer toegewezen. Pas daarna bepaalde de overheid hoeveel dienstplichtigen men nodig had en zoveel loten werden getrokken, zoveel lotelingen aangewezen. Nu kwam het niet altijd even goed uit dat één van de zonen voor jaren het huis uit zou gaan. Dan was er de mogelijkheid om met iemand van nummer te verwisselen of een plaatsvervanger te zoeken. Tijdens de loting werd een lotingsregister aangelegd op nummer van het lot van de ingeschrevene. Daarna gingen de lotingsregister naar de militieraad, die de verzoeken tot vrijstelling, in verband met lichamelijke gebreken of broederdienst, beoordeelde. Na beëindiging van zijn werkzaamheden leverde de militieraad alle registers in bij de Commissaris van de Koningin. Het dubbele exemplaar van de lotingsregister stuurde de raad naar de gemeenten. Nadat bekend was hoeveel dienstplichtigen nodig waren, zorgde de Commissaris van de Koningin via de burgemeesters voor het oproepen van de lotelingen.

Een nummerverwisselaar is iemand die wel een lot heeft gekregen, maar niet is ingeloot. Hij kan wel opkomen voor een andere loteling, mits deze uit hetzelfde kanton kwam. In de praktijk zien we dat armere jongens vaak wisselden met een rijke loteling omwille van een geldelijke beloning. Een plaatsvervanger is reeds voor zijn eigen nummer opgeweest, de dienstplicht is reeds vervuld. Na zijn diensttijd vervangt hij een loteling uit zijn kanton, uiteraard tegen betaling. De plaatsvervanger mocht niet ouder zijn dan 35 jaar. Beter gesitueerden konden hun zonen thuis houden tegen betaling!

DE KLACH VAAN 'NE JOONKMAAN

Tekst: Borel - muziek: G. Goublier
M
elodie "Le Crédo du paysan"

Ingezongen en weer voor het voetlicht gebracht door Tiny Feij.

 
Tinus had 'nen hoege nommer getrokke,
Heer mos goon dene noe es soldaot.
't Ganse hoes dat laog 't onderstebove,
't Ganse dörrep waor ten einde raod.
D'n awwen os, dee leet ziech neet mie mèlleke,
De roeijen haon, dee lag gein eier mie.
En Trien stoont in 'nen hook te beuke:
"M'ne leve Tinus, zeen iech diech daan noets mie?"
 
Refrein:
Triene mie keend, iech zal diech noets vergete,
Diech blijfs veur miech op eerd,
Altied 't mieste weerd !
Wied vaan diech weg heet miech 't lot gesmete.
Diech blijfs veur miech op eerd.
Altied 't mieste weerd.
Diech blijfs veur miech op eerd.
Altied 't mieste weerd.
 
Wied vaan de bös en vaan de heuvelklinge,
Wied vaan de häöf en vaan de modderpeul.
Wied van de weije boe v'r appele gonge stele,
Wied vaan dat alles bin iech noe gesjeid !
Wied vaan mien Triene, boe iech zoe dèks mèt praotde,
Wied vaan de plaots boe iech häör 't ierste zaog.
Wied vaan de plek, boe 'ch levensleech aonsjouwde,
Wied vaan dat alles bin iech noe gesjeid

Tiny's uitvoering is natuurlijk niet te vergelijken met het origineel aan de rechterzijde! Haar "Mestreechs" is veel beter.

Pierre Andrien HENQUET, de oudste zoon van Henri HENQUET (landbouwer) en Catherine LEONARD, geboren op 11 januari 1791 te Eben-Emael in België is remplaçant in het keizerlijk Franse leger voor zijn jongere broer Louis HENQUET - geboren op 12 oktober 1792, voor frs 300,00. Beide zonen waren landbouwer te Eben.

Beiden plaatsten hun handtekening onder de akte: minuut overeenkomst d.d. 19 februari 1812 (59), notaris P.D. Jessé te Maastricht.

De keuringen voor de Nationale Militie staan opgetekend in grote losse katernen. Elke jongeman van 19 jaar werd ingeschreven, met vermelding van geboortedatum en -plaats, woonplaats, beroep, namen en voornamen van de ouders, woonplaats ouders, beroep vader, lengte en signalement, inventarisnummer Frans Archief (1796-1814) of Provinciaal Archief (1815-1913); bovendien de vermelding van geschikt/ongeschikt, en of een vervanger werd aangesteld. 

Het signalement omschrijft: Aangezicht, Voorhoofd, Ogen, Neus, Mond, Kin, Haar, Wenkbraauwen, Merkbare teekenen (specifieke kenmerken). De lengte van de persoon werd in oude maten aangegeven b.v. 1 elle 7 palmen 6 duim 6 streep betekent dat de lengte 1.766mm was. Elle= meter; palmen= decimeter; duim =centimeter en streep = millimeter. Dit zijn wel Nederlandse maten; een Engelse duim (inch) is 2.54 centimeter. 

Als de aanstaande echtgenoot nog niet zijn volledige diensttijd had vervuld, treffen wij bij de huwelijksbijlagen vaak een toestemming van zijn commandant aan om te trouwen. Hierin staat dan ook in welk legeronderdeel hij dient. Zie onderstaand de toestemming van de commanderende officier tot het huwelijk van Johannes Hubertus HENKET met Anna DEKKERS op 7 maart 1888. 

De lijsten werden elk jaar door de plaatselijke overheden opgesteld. Op de zogenaamde Certificaten van Nationale Militie, die deel uitmaken van de huwelijkse bijlagen, is het signalement in veel gevallen niet ingevuld.

Hoebeer Henket.

Hoebeer HENKET, omtrent 1920, zoon van Johannes Hubertus HENKET. Foto: privé collectie Bernhard Henket. Zie: Een honderdjarige te Maastricht in 1935.

Jan Henket als militair.

Een voorbeeld van het "remplaçantenstelsel" vinden wij bij Johannes Hubertus HENKET (1854-1915); hij is ingelijfd als plaatsvervanger bij het 2de Regiment Veldartillerie te Delft lichting 1885. Hij was vrijgesteld wegens het feit dat hij enige wettige zoon was. Foto: collectie Bernhard Henket.

Zijn vader Johannes Baptist HENKET (1803-1872) kreeg het nummer 49 bij loting toegewezen, een hoog lotnummer en hoefde geen militaire dienstplicht te vervullen.

In 1898 werd de algemene dienstplicht opnieuw ingevoerd; in 1996 werd de opkomstplicht afgeschaft. Nederland gaat verder met een beroepsleger. Een sociale dienstplicht voor jongeren is momenteel een actueel onderwerp.

Herman Joseph Hubert HENKET, een oud neef van Jan Baptist HENKET, is vrijgesteld van de nationale militie wegens broederdienst op 16 april 1886. Zijn oudste broer Engelbertus Joannes HENKET was al ingelijfd bij de militie en wordt beroepsmilitair o.a. in Atjeh. Na 1907 wordt niets meer van hem vernomen. Hun vader, Joannes Baptist Hubert HENKET, sterft op jonge leeftijd (35 jaar oud), overleden 21 januari 1866 in de Bokstraat 455 te Maastricht. 2 broers en 2 zussen zijn dan ook al overleden. Hun moeder, Joanna Maria Hubertina EVERSEN, overlijdt 8 januari 1889 te Maastricht, Langs de kom der Zuid-Willemsvaart (Het Bassin) 42. De twee overgebleven broers trekken de wereld in als beroepsmilitair. Wij zullen Hermans activiteiten in koloniale dienst eens volgen.

 

Kaart van Atjeh tijdens de Atjehoorlog 1874.

Meer over Atjeh: De Atjeh-oorlog.  Djihad en koloniaal machtsvertoon.

Herman werd als jongste zoon geboren op 17 februari 1866 te Maastricht. Zijn vader was een maand eerder overleden. Van beroep werd Herman schoenmaker. Als plaatsvervanger voor Gerrit BURGER (van de lichting 1891 bij de gemeente Texel Noord-Holland onder nr.14, ingelijfd de 2de mei 1891 Korps Torpedisten) wordt hij ingedeeld bij het 2de Regiment der Infanterie op 13 augustus 1891. Hij gaat met groot verlof op 8 september 1892. Zijn signalement: gezicht: ovaal; voorhoofd: hoog; ogen grijs; neus: groot; mond: gewoon; kin: spits; haar: bruin; wenkbrauwen: bruin.19 mei 1893 vertrek naar Harderwijk Koloniaal Werfdepot. 23 mei 1893 gaat hij als soldaat, met een contract voor 6 jaren, over naar het 2de Regiment Infanterie der Koloniale Troepen met een gratificatie van fl 300,00, behept met een oogbindvliesontsteking in lichte graad. Hij vertrekt op 1 juli 1893 met SS. Burgemeester Den Tex uit Amsterdam en komt te Padang aan op 6 augustus 1893 en wordt geplaatst bij het 4de Depot Bataljon; 9 maart 1894 17de Bataljon Infanterie; 8 december 1894 2de Garnizoensbataljon van Atjeh; 22 mei 1895 4de Depot Bataljon; 6 juli 1895 2de Garnizoensbataljon van Atjeh; 14 juni 1896 18de Bataljon Infanterie; 20 oktober 1896 10de Bataljon Infanterie; 18 december 1896 geplaatst bij het Subkader te Batavia en 28 december 1896 bestemd om terug naar Nederland te gaan (ter opzending) wegens tijdelijke lichamelijke ongesteldheid voor alle militaire diensten; 6 januari 1897 vertrek per SS Soembing; 10 februari 1897 aankomst te Rotterdam, ingedeeld bij de koloniale reserve.
19 februari 1897 verband vrijwillig geëngageerd als soldaat voor 6 jaar bij het leger zowel in als buiten Europa; in te gaan op de dag waarop hij voor de actieve dienst fysiek geschikt bevonden wordt met fl. 200,00 premie waarop 20 gulden heden en 30 gulden bij overgang van de valide compagnie zal worden uitbetaald. Terug als dan fl. 150,00 ingelegd in de RPSB.
20 oktober 1897 fysiek geschikt bevonden; 23 oktober 1897 gedetacheerd naar Oost-Indië; te Rotterdam overgegaan aan boord van SS Lavoe.
1 december 1897 gedebarkeerd te Batavia en geplaatst bij het 2de Bataljon Infanterie.
15 januari 1898 8ste Bataljon Infanterie; 24 augustus 1898 Kader Korps Pupillen; 13 juni 1899 7de Bataljon Infanterie; 18 maart 1902 geplaatst in de 24ste klasse militaire discipline; 18 september 1902 daaruit ontslagen; 17 november 1902 2de Bataljon Infanterie; 18 oktober 1903 bestemd om terug te keren naar Nederland voor beëindiging lopend contract; 22 oktober 1903 Subkader te Batavia; 12 november 1903 vertrek met SS Prins Hendrik; 15 december 1903 ontscheept te Amsterdam.
4 april 1904 geëngageerd voor een jaar te dienen bij de Koloniale Reserve zowel in als buiten Europa met fl. 50,00 premie.

Militaire bijzonderheden:
1895-1896: ereteken krijgsverrichtingen te Atjeh (1873-1896; 1896-1900).
24 januari 1900: bronzen medaille zonder gratificatie.
11 april 1900: scherpschutter geweer 1ste maal; 11 maart 1901 teruggesteld tot gewoon schutter; 16 augustus 1901 scherpschutter 2de maal.
1901: schietprijs geweer 1ste maal.
1902: krijsverrichtingen tegen Djambi.
3 april 1905: met paspoort wegens dienstbeëindiging; bewijs van goed gedrag onthouden; hij heeft recht op tweede helft gratificatie (1ste helft gratificatie 2 oktober 1897), art. 1 K.B. 19 juni 1895 week 38.

Medaille voor krijgsverrichtingen 1873-1896.

 

Hij keert wegens 6 jarig verblijf uit Indië terug 10266/03. Zijn commandant KWD vraagt het adres op teneinde een bedrag van fl. 3,55 uit te keren. (05-40).
Adres in 1897: H. Klaassen (halfzus), Rue Virviniens 80, Luik (BE). Hij komt terug per Soenabing naar Rotterdam, aangekomen daar 11 februari 1897. 3 april 1905 verlaat hij bij de Koloniale Reserve te Nijmegen het Indische Leger te Nijmegen.

In 1923 en in 1926 wordt hij in Breda veroordeeld wegens landloperij; 26 januari 1947 om 1 uur overlijdt Herman, ongehuwd zijnde en wonende Plankstraat 8 te Maastricht, oud 80 jaar en 11 maanden oud.

Overlijdensakte Herman Joseph Hubert Henket.

Bron: Stamboek bij het Departement van Oorlog. Extract uit de minuten berustende ter Griffie der Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam 1913. Het schrijven van het Departement van Koloniën, afdeling C2 (Militair Personeel) no. 7374.

Zijn oudere broer Engelbertus HENKET, geboren op 9 januari 1855 te Maastricht in de Mariastraat 468, wordt vlak na het overlijden van zijn vader geplaatst in het Rooms Catholijk Armenhuis (9 februari 1866); later wordt hij opgevangen door familie te Sint-Pieter bij Maastricht. Zijn signalement bij de miltaire keuring luidt: aangezicht: ovaal; voorhoofd: rond; ogen: blauw; neus: gewoon; mond: klein; kin: rond; haar: blond; wenkbrauwen: idem; lang: 1.66 meter; "behept met dubbele liesbreuk". In militaire dienst was hij voornamelijk "ziekenvader" in Atjeh. Bij zijn wettelijk huwelijk op 29 september 1897 te Kota-Radja is hij kantinehouder te Kota-Radja; later is hij werkzaam als opzichteradministrateur bij de spoorweg Segili-Atjeh. Uit het huwelijk met zijn inlandse vrouw SALIJEM werd naast Wilhelmina Sophia HENKET (1882-1847), Anna Maria HENKET (1884-1979) geboren. Haar zoon Charles Engelbertus Rudolphus Adolphus Marques (Bert genoemd) HENKET werd geboren te Ceram (Indonesisch: Seram) in 1905, de naam van de vader is onbekend gebleven. Engelbertus overleed 17 september 1922 te Malagang (Indonesië) en werd aldaar begraven (het kerkhof is momenteel een fabrieksterrein).

Een van deze huizen in de Mariastraat te Maastricht is het geboortehuis van Engelbertus Henket.

 

 

Had ik het maar gewete

Had ik het maar gewete

Had ik het maar gewee-hee-te

Dat ik zes jaar moest staan

Had ik het maar gewete

Dat ik zes jaar moest staan

Mijne lieve Anna

Mijne lieve Anna

Mijn lieve Anna

Waar ik van weg moest gaan

Mijne lieve Anna

die ik moet laten staan

In Maastricht kent men het liedje van de "Oostgenger", de jonge man die wellicht in zijn onnozelheid en voor het geld 6 jaar voor dienst in de koloniën had getekend:

"Hij is voor mij naar de Oost gegaan..." is een ander liedje dat met Carnaval wordt gezongen en verhaalt over iemand die is gaan varen zover van hier en zijn liefje (twee varianten).

 

 

Hij is voor mij naar den Oos gaan va-ha-re

Hij is voor mij naar den Oos gegaan

Hij is gaan vare

zo ver van hier

en met een ander meisje heeft hij zijn plezier

Hij is gaan vare

zo ver van hier (lekker dier)

en met een ander meisje heeft hij zijn plezier

Maastricht was al eeuwen legerplaats, vestingstad, later garnizoensstad en kazerneplaats (Tapijnkazerne).

 

De soldatenliedjes waren alom bekend in Maastricht en dat verklaart de Hollandse tekst. Dialectliedjes waren er blijkbaar niet, uitgezonderd de liedjes van de gebroeders Olterdissen, vaak gemaakt op bekende wijsjes uit opera en operette.

 

Na de Tweede Wereldoorlog herintroduceerden De Tempeleers het Carnavalsfeest met liedjes in het "mestreechs". Carnaval werd een volksfeest. Toezichthouder de katholieke kerk bleef het Carnavalsfeest nauwlettend in het oog houden. Bang was men voor zedeloosheid, drankmisbruik, uitval van arbeid en andere zaken welke het gezin konden schaden. Meestal bleek die angst ongegrond te zijn geweest en waren de afgelopen drie dagen "Super Sjoen Daog". Blij was de kerk als het uiteindelijk weer Aswoensdag was: het vasten als toeloop naar Pasen kon nu beginnen na de gevierde Vastenavond.

 

En dan hebben zij een paar laarzen aan.

Wij zijn gezworen kameraden
Wij zullen elkander nooit verlaten
Wij zijn bijeen en we blijven bijelkaar
Totdat we naar het kerkhof worden gedragen

en hupmarjenneke

pupverjenneke

tege de carnaval

 

 

Wee zouw dörve spotte

met de keuning zien piotte

zal de bak in goon

dee zal de bak ingoon.

Wee zouw dörve spotte

met de keuning zien piotte

zal de bak in goon.

 

Wee zouw dörve kakke

op de keuning zien gemake

zal de bak ingoon

dee zal de bak ingoon

Wee zouw dörve kakke

op de keuning zien gemake

zal de bak ingoon. 

 

 
Verder ontving ik van Tiny Feij nog een fragment uit een potpourri over een dragonder te Den Bosch.
 

Franse uniformen voor 1916: v.l.n.r.: sergant chef, soldaat veldartillerie, geniesoldaat, infanterist, infanterist officier, alpenjager, chasseur ter voet, chasseur ter paard, trompettist en dragonder. Bron: Eerste Wereldoorlog - Uniformen - WO1Wiki.

  Met dank aan Tiny Feij.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   1956: het graf van Engelbertus Henket te Magelang (Indonesië). Foto's: collectie familie Henket en familie Deswert.

22 juli 2008 werden de graven - drie generaties (Henket/Tamaela-Wattimena) op de begraafplaats te Magelang opgeschoond. Een reportage:

Bert was administrateur van verschillende tabaksplantages in Centraal Java en heeft korte tijd nog gediend als administratief officier in het Indonesisch leger. Hij was met Samijen (Elisabeth) DJOJOSOEKARSO, een Javaanse vrouw, gehuwd en dacht, dat hij geen problemen zou hebben om in Indonesië te blijven. Dat was echter niet zo. De voorbereiding voor het vertrek van Bert en de gezinsleden die met hem mee wilden naar Nederlander verliep niet gemakkelijk. Hij heeft op een tabaksplantage gewerkt (hogere functie) en zou in 1964 in Nederland een huis in Breda krijgen. Van daaruit zou hij uitgezonden worden naar Tanzania om daar een tabaksplantage op te zetten. Omdat toen oorlog in Tanzania uitbrak is dat allemaal niet doorgegaan. Wel was hij nu in Nederland. Dat heeft hem blijkbaar geen goed gedaan. Na 4 à 5 jaar is hij overleden. Zijn nakomelingen komen o.a. in Nederland en in de Verenigde Staten wonen en werken. Anna Maria HENKET huwde Johannes Jacobus Benjamin SAHUSILAWANE, zoon van Cande SAHUSILAWANE en Cie LAMARET, in 1910. Zij kregen 9 kinderen.

 

Het echtpaar Johannes Jacobus Benjamin Sahusilawane en Anna Maria Henket. Foto's: collectie familie Henket.

Het graf van Anna Maria Henket en haar echtgenoot Bob Sahusilawane te Tuhaha (Indonesië).

 

 

Tuhaha is een dorp gelegen op het eiland Saparua bij de Tuhaha baai. Zie pijl op kaartje. Bron: Maluku-Saparua-Ullath.

Seram: een eiland, dat in het centrale deel van de Molukken ligt, een deel van Indonesië. Het is 17.148 km² groot en het hoogste punt is 3027 m. Het dichtbevolkte eiland Ambon ligt ten zuidwesten van het eiland. Ten noorden van Ceram bevindt zich de Ceramzee en ten zuiden de Bandazee.

Bovenste rij derde persoon v.l.n.r. Bert Henket en zijn moeder Anna Maria Henket (dochter van Engelbertus Joannes Henket uit Maastricht) en andere familieleden en nakomelingen. Foto omtrent 1955. Foto: privé collectie Don Henket.

Een andere plaatsvervanger is Jacques ROBEERS (ROBERTS). Hij was een onwettige zoon van Pierre ROBEERS en Maria Helena WILLIARD. Hij werd gedoopt op 7 november 1789 te Maastricht (St. Catharina). De doopgetuigen waren Jacobus WIDDER, Elisabetha THITS en natuurlijk de vroedvrouw: Joanna SCHOL. Van beroep was hij metselaar, plafonneerder, dagloner; gepensioneerd soldaat (garnizoens kompagnie te Brielle). Hij was plaatsvervanger (na zijn eigen diensttijd) van de loteling Arnold PAULUSSEN uit Lanaken. Wanner Jacobus huwt - op 9 mei 1816 te Maastricht met Maria Margaretha KOGT, is te lezen dat zijn moeder - Maria WILLIARD -  de stad "omtrent 37 jaren (omstreeks 1798) verlaten" heeft en nu zonder bekende verblijfplaats is.

 

Jan Bernard Henket (Ber) 26 december 1905 - 7 december 1985.

Zijn ouders sluiten op 1 januari 1906 een levensverzekering af t.b.v. Jan Bernard Henket ter waarde van 50 gulden tegen een wekelijkse premie van 2½ cent gedurende 30 jaar; 12 maart 1925 wordt deze verzekering premie vrij gemaakt naar een waarde van 29 gulden. Foto: privé collectie Breur Henket.

In de vormgeving zien we duidelijk invloeden van de "Jugendstil". De verzekering diende om de eventuele begraafkosten ontstaan door het overlijden van de verzekerde te dekken. In tijden van geldgebrek werden dit soort verzekeringen vaak "afgekocht". De Centrale leverde verzekeringen voor arbeiders. De winst ging naar de arbeidersbeweging. Het affiche was bedoeld om in kantoren en agentschappen op te hangen, niet om op straat aan te plakken.

Richard Roland Holst, De Centrale, 1912.

Ber wordt geboren "met de helm" op 26 december 1905. In de 16de eeuw (wellicht ook vroeger) bestond het bijgeloof, dat iemand, die met een helm - een vliesachtig omhulsel van het hoofd - geboren werd, geesten kon zien, de gave der voorspelling had, vooral wat het overlijden van bloedverwanten of stadgenoten betreft; ook betekende het vroeger, hij is gelukkig, alles lukt hem wel.  Bron: F.A. Stoett: Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. verantwoording © 2003 dbnl / erven F.A. Stoett. Als ongeschoolde arbeider, moet Ber dus al op tienjarige leeftijd gaan werken. Zelf woont hij vanaf het huwelijk met Anneke Murrer in 1930: Herbenusstraat 158; 23 maart 1931 Herbenusstraat 52; 12 februari 1932 Herbenusstraat 9; 3 november 1932 Capucijnenstraat 53; 30 oktober 1934 Herbenusstraat 33; 19 juni 1937 Herbenusstraat 27; 23 oktober 1939 Statensingel 54; 15 juli 1940 Herbenusstraat 52; 8 oktober 1984 Reinaartsingel 70. Alle adressen te Maastricht.

Als arbeider in de aardewerkindustrie, arbeider bij de Radium en via allerlei ongeschoolde baantjes, werkt hij vanaf  september 1951 tot november 1955 in “Du Casque” (“De Helm” vroeger "Ter Clocken" geheten) te Maastricht - gelegen aan het Vrijthof /  Helmstraat 14 - als “knecht in algemene dienst”.

Afbeelding: een van de getuigschriften ontvangen aldaar. Foto: collectie Breur Henket.

 

 

 

De mooie Art Deco ingang zijde Helmstraat van Hotel Du Casque.

 

 

 

 

Hotel Du Casque aan het Vrijthof ca. 1860.

Een champagne koeler van Du Casque. Foto: collectie Breur Henket.

 

 

 

 

 

 

 

Toeristenkaart 1958 ten behoeve van een bezoek aan de Wereldtentoonstelling te Brussel 1958. Foto: collectie Breur Henket.

 

Het Atomium. Bron: rentfarm/expo58/exhibition.

 

 

 

In het adresboek van Maastricht van 1958 staat hij nog ingeschreven als "huisknecht":

 

 

 

 

 

 

 

Ber gaat werken bij de KNP), de Koninklijke Nederlandse Papierfabriek, nu Sappi. Hij zal hier zijn 25-jarig jubileum vieren op de “sorteerzaal”. Binnen de KNP zal hij ook werkzaam zijn bij de bedrijfsbrandweer; de laatste jaren voor zijn pensionering werkt hij als “liftboy” binnen de KNP. Iedereen kende hem op zijn werk om zijn “awkloete” (flauwekul) die hij maakte met zijn collega’s. Thuis was Ber een stille man. Hij floot meer dan hij sprak. Als hij zijn “sjekske” (gedraaide sigaret) en een volle pot koffie had, veel kon slapen, in zijn häöfke (tuin) kon werken en met zijn kanaries bezig kon zijn, was hij gelukkig. Ook de jaarlijks terugkerende wit- en behangpartij, werd slechts zelden door hem overgeslagen.

 

 

 

 

 

 

Sorteerafdeling anno 1950 Koninklijke Nederlandse Papierfabriek en 25 jaar sorteerzaal K.N.P., uit de "Vezelpraot", het personeelsblad van de KNP.

 

Foto: Etienne C. L. Van Sloun.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1950 verscheen het gedenkboek van de Koninklijke Nederlandsche Papierfabriek N.V. (KNP) te Maastricht ter gelegenheid van haar honderdjarig bestaan. Door een enigzins roze bril wordt hierin terug geblikt op het verleden. Zo wordt bijvoorbeeld veel aandacht besteed aan de reeks van directeuren die ieder door hun bijzondere eigenschappen de fabriek groot hebben gemaakt.

Wat te denken van Léon Lhoest, die volgens het gedenkboek door zijn werknemers op handen werd gedragen. Deze directeur had de gewoonte de meest vlijtige werknemers bij zich op kantoor te roepen, hen lovend toe te spreken en, bij wijze van onderscheiding, met krijt een kruis op hun kiel te tekenen. Het gedenkboek vertelt dat de arbeiders hier zo trots op waren dat zij ervoor waakten het kruis van hun kiel te vegen. 

Het werk in de papierindustrie was zwaar en niet zonder risico's. Het sorteren van lompen bijvoorbeeld, de belangrijkste grondstof bij de papierfabricage, was een smerig werk en werd vooral door vrouwen gedaan. Aan het eind van de negentiende eeuw werkten alleen al op de lompenzolders meer dan 200 vrouwen en meisjes. De kans op besmettelijke ziekten was hier groot. Ook kolensjouwers waren met tientallen werkzaam op de fabriek. De kolen die nodig waren voor de stoommachines en ovens werden met de hand uit de schepen gehaald om vervolgens in mandjes naar de fabriek te worden gebracht. Het totale productieproces bood vóór 1900 aan meer dan 700 mensen werk.

Het archief van de Koninklijke Nederlandsche Papierfabriek N.V. bevindt zich in de archiefbewaarplaats van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg in Maastricht. Dit instituut houdt zich bezig met het verzamelen, ordenen en inventariseren van bronnenmateriaal betreffende het sociale en economische leven in Limburg. De aandacht gaat hierbij niet alleen uit naar de grotere ondernemingen, zoals de KNP en Sphinx waarvan het de archieven bewaart, er is ook aandacht voor de archiefbescheiden van boeren, ambachtslieden en kleine middenstanders.

Gezicht op het fabriekscomplex vanuit het zuiden, circa 1925.

4 januari 1980 vierde het echtpaar Henket-Murrer hun gouden bruiloft. 5 jaar later mochten wij ook hun 55-jarig huwelijksfeest nog meemaken.

Om een beter inzicht te krijgen in de industriële activiteiten en politieke machtswisselingen binnen Maastricht in de 19de en begin 20ste eeuw het volgende overzicht: maastricht.htm.

 

Omgeving Bassin, de Sphinxfabrieken en station Boschpoort 1927; de vele schoorstenen spreken voor zich.

In 1860 waren alleen al in de glas-, aardewerk- en papierfabrieken 2322 werknemers in dienst. In 1878 hadden de achttien ondernemingen met 20 of meer werknemers in totaal 5168 arbeiders in dienst, waarvan alleen al 3209 bij de firma Regout werkten. In 1913 werkten bij De Sphinx (voorheen Petrus Regout & Co.) 3500 arbeiders; de Société Céramique telde 2200 arbeiders.

Eind 19de eeuw worden nieuwe fabrieken opgericht o.a. de Mosa (porselein); de Stella (glas en kristal) en de vloer- en trottoirtegelfabriek van Alfred Regout & Co. Daarnaast telde de stad nog 6 tabaksfabrieken, 3 behangselfabrieken, nog 1 spijkerfabriek en de enige overgebleven lakenfabriek van Hanckar.

Ook de talrijke bierbrouwerijen (29 bierbrouwerijen en 16 branderijen) kwamen tot bloei; o.a. "De Zwarte Ruiter" (de familie Rutten), die op grote schaal uitvoerde naar Oost-Indië: de hoge zuurgraad van het Maastrichts Oud beschermde het bier tegen bederf.

 

 

In de Helstraat was ook een brouwerij gevestigd van de bekende brouwersfamilie Marres: de Brouwerij Marres-Prick. Johannes Wilhelmus Marres (Jan Willem), geboren op 29 november 1794 te Vroenhoven als zoon van Michaël MARRES, brouwer in het Pannenhuis te Biesland en Maria Catharina KRUIJEN, begon deze brouwerij bij zijn huwelijk op 26 september 1826 te St. Pieter met Margaretha PRICK, dochter van de brouwer Henri Prick van St. Pieter. Hij stief jong te Maasricht op 11 augustus 1833, 38 jaar oud; zijn vrouw stierf een half jaar later te Maastricht op 29 maart 1833, eveneens slechts 38 jaar oud. Ze lieten vijf wezen achter, waarvan de oudste Johannes Henricus Hubertus 11 jaar was. Deze start later op de Kleine Gracht een eigen brouwerij. De brouwerij in de Helstraat wordt voortgezet door Simon Servaas Pieter PRICK, broer van Maria Margaretha Prick. De gelagkamer daarvan - "Prick in de Hèl" - was decennia lang rondom het midden van de 19de eeuw de beroemdste van Maastricht en was tot ver over de grenzen bekend. De bierproductie van Prick werd grotendeels in de eigen gelagkamer omgezet.

Het typische locale "Maastrichts oud" werd gemaakt door het mengen van lagerbier (onder- en bovengistend, vroeger alleen bovengistend) met het zogenaamde snijbier: een bier dat in grote legvaten gedurende jaren is bewaard. Door de inwerking van verschillende micro-organismen is uit de dextrinen (een polymeer van glucose - druivensuiker, gemaakt door gedeeltelijke afbraak van zetmeel) van het bier vooral melkzuur ontstaan. Ook zijn er de zogenaamde "esters", gevormd zodat dit snijbier op Rijnwijn (Rins) gaat lijken. Is er te veel azijnzuur ontstaan dan krijgt het snijbier een scherp zure en dus ongewenste smaak. Door het toevoegen van dit snijbier aan jong bier of lagerbier krijgt men het Maastrichts oud: een bier met een rinse, wijnachtige smaak. Met karamel kleurt men het bier donker. Veel (zwangere) vrouwen en kinderen dronken dit  bier, wel of niet met een schepje suiker. Van de kinderen had je dan geen last meer, die vielen wel in slaap. Dit bier werd als zeer voedzaam en gezond beschouwd. Een tip: marineer uw vlees eens in oud bier; het vlees wordt lekker mals en krijgt meer smaak. Te zuur: voeg er wat Rinse Appelstroop toe, het liefst natuurlijk volgens het recept van Guillaume Henquet. Deze stroop wordt nog altijd geproduceerd door het bedrijf Frumarco te Beek.

Louis HENQUET, gefotografeerd in 1986 bij gelegenheid van de officiële sluiting van de stroopfabriek aan de Prins Hendrikstraat te Eijsden. Foto: G. Wolfs. Louis stamt net als Jan Bernard HENKET af van de gemeenschappelijke voorvader Henri HENCKET; deze leefde te Lixhe (BE) tussen 1550 en 1625 en was zelf een afstammeling van familie HENKETH te Luik (BE).

 

Reclamebord van Brouwerij Marres-Ceulen Grote Gracht, later Capucijnenstraat te Maastricht. Bron en info over de brouwers Marres: Marres Brouwerijen te Maastricht.

Bierviltje Marres Dobbel Aajt. Bierbrouwerij Firma Marres-Ceulen, Capucijnenstraat 98 te Maastricht. Bron: Privé collectie.

Met de ontwikkeling van de industrie ging een snelle toename van de arbeidersbevolking gepaard. Als gevolg hiervan ontstaat woningnood. Vanaf ca. 1840 begon de binnenstad op sommige punten in een menselijk pakhuis te veranderen (Stokstraat en omgeving, Boschstraatkwartier: de Cité Ouvrière. Op de hoek van de St. Antoniusstraat en de Boschstraat ontstond, geïnspireerd op de Cité Napoléon in Parijs, in 1863 het eerste Maastrichtse experiment met arbeidershuisvesting. Hoe goed bedoeld ook, het 'menschenpakhuis' met 350 bewoners op 72 kamers van drie bij vier werd een mislukking. Zie ook: Caspar Cillekens: een kwaad leven in de Kwadevliegenstraat (Dagblad De Limburger woensdag 13 augustus 2003).

Met de ontwikkeling van de industrie ging een snelle toename van de arbeidersbevolking gepaard. Als gevolg hiervan ontstaat woningnood. Vanaf ca. 1840 begon de binnenstad op sommige punten in een menselijk pakhuis te veranderen (Stokstraat en omgeving, Boschstraatkwartier: de Cité Ouvrière. Op de hoek van de St. Antoniusstraat en de Boschstraat ontstond, geïnspireerd op de Cité Napoléon in Parijs, in 1863 het eerste Maastrichtse experiment met arbeidershuisvesting. Hoe goed bedoeld ook, het 'menschenpakhuis' met 350 bewoners op 72 kamers van drie bij vier werd een mislukking. Zie ook: Caspar Cillekens: een kwaad leven in de Kwadevliegenstraat (Dagblad De Limburger woensdag 13 augustus 2003).

De Cité Ouvrière-façade 1864 en een fragment uit de gezinskaart van Franciscus Volders (1824-1875) en Elisabeth Moermans: adressen te Maastricht: Raamstraat 799; 2 april 1866 St.Antoniusstraat Citée; 1 juli 1870 Raamstraat 755; 7 aug 1871 Cité; 7 april 1877 Boschstraat  1210; 10 december 1877 idem 919; 12 november 1878 Raamstraat 704; 2 november 1879 Grachtstraat 804; 28 december 1880 idem 818.

Op last van de raad werd de Groete Bouw in 1938 afgebroken. In 1899 woont 57½% van de Maastrichtse bevolking op 1 of 2 kamers.

Aantal inwoners Maastricht:

1800: 18.000
1828: 21.233
1850: 25.000
1866: ca. 29.000
1919: ca. 42.000
1920 na de annexatie: 54.267
2002: 122.252
2005: 121.498. Begin van een afname tendens?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onderstaand de bevolkingsdichtheid anno 1850 te Maastricht en omgeving. De bevolkingsdichtheid geeft de verhouding aan tussen het aantal inwoners en de oppervlakte van een bepaald topografisch gebied. Meestal wordt de bevolkingsdichtheid aangeven in het aantal inwoners per km².

Zodra er door het opruimen van muren en aarden wallen terreinen beschikbaar kwamen, werd  begonnen met het bouwen van arbeiderswoningen. Aan de Franschensingel verrees de arbeiderswijk, genaamd “Quartier Amélie”, in de volksmond “kraaiendorp” genoemd, naar de sintels (kraaien) die als onderlaag van de nieuw aangelegde wegen gebruikt werden.1877 wordt de Maastrichter Bouwvereniging opgericht  door de particulieren en ondernemers  Regout, Lhoest, Marres en Rutten. Deze particuliere organisatie bouwde arbeiderswoningen aan de Herbenusstraat (eerst nog Boulevard I geheten), het Lindenkruis en de Statensingel. Deze woningen beschikten over een aansluiting op de waterleiding (één kraan). De aansluiting op de waterleiding was toen binnen Maastricht uitzonderlijk; in 1892 beschikte slechts 9% van de gezinnen over een aansluiting op de waterleiding.

Tussen 1902 en 1929 werden een vijftal woningcorporaties opgericht (o.a. Sint Servatius in 1902 en Beter Wonen 1915).

Bij de scheiding van de beide Limburgen in 1839 werd de Nederlandse gemeente Oud-Vroenhoven gevormd uit de door België afgestane delen van de gemeenten Vroenhoven, Veldwezelt en Lanaken, waarbij in 1843 nog een gedeelte van de gemeente Kanne en andere gedeelten van de gemeenten Veldwezelt en Lanaken. Bij Koninklijk Besluit van 6 mei 1828 werden de gemeenten Eijsden, Breust en Oost opgeheven en uit dit grondgebied de nieuwe gemeenten Eijsden en St.Geertruid gevormd. 29 december 1942 werd de gemeente Mesch bij Eijsden gevoegd. In 1920 (bij de wet van 25 juli 1919; Staatsblad 1919 nr.510) groeit het grondgebied van Maastricht van 448 tot ruim 3000 hectare door de annexatie van de gemeenten Oud-Vroenhoven, St. Pieter en gedeelten van de gemeenten Meerssen, Borgharen, Amby, Heer en Gronsveld. Ook ontstaan er wijken, met ook andere woningen dan arbeiderswoningen, ten westen van de Hertogsingel en op de terreinen ten noorden en ten zuiden van Wijk. Langs de nieuw ontstane straten en pleinen worden spoedig hele rijen woningen gebouwd; zo ontstaan o.a. de woonbuurten in het Wijckerveld en het Wittevrouwenveld. 

Bouwtekening van een arbeiderswoning aan de Herbenusstraat nrs. 2 t/m 22; bouwvergunning 1117 d.d. 18 october 1887; L. Regout G.A.M.

 

 

 

 

Een huurverhoging in 1969 van meer dan 75%! (de huiseigenaar werd in het dialect "Vanabbel" genoemd). Foto: collectie Breur Henket.

 

 

 

 

Herbenusstraat 52/54 gevelsteen: R P 1880 (Regout Petrus II 1880). Ook was er vroeger een verzekeringsplaatje van de brandverzekering aanwezig op de gevel (niet meer aanwezig). Op de gevel van huisnummer 54 zijn nog sporen te zien van de ophanging van een gemeenschappelijke waterpomp.

 

 

De parlementaire enquête Kinderarbeid.

Bij het onderzoek naar de voorouders in zowel mannelijke als vrouwelijke lijn (kwartierstaat) komen soms interessante gegevens over personen  te voorschijn waardoor je meer te weten komt over de persoon dan alleen jaartallen. Om het overzicht niet te verliezen een stukje kwartierstaat:

Net zoals Jan Bernard Henket heb ik zelf nooit mijn grootvaders gekend, zij waren al overleden of niet bekend, zoals bij mijn vader (Dekkers). Dit komt omdat wij ook de jongst geboren jongens zijn. Het voordeel hiervan is dat je nog veel over de oude tijd heb horen vertellen, omdat je oudere ouders hebt. Het nadeel is natuurlijk dat veel voorouders en zelfs broers en zussen overleden kunnen zijn. Alleen "ama" Madame ROBEERS (1876-1960), dochter van de onder genoemde Jacobus, heb ik in mijn jonge jeugdjaren gekend.

Herbenusstraat 52 te Maastricht.

 

 

 

Madame Robeers (Murrer) in het raam van Herbenusstraat nr. 52 omstreeks 1958. Foto gemaakt door George Braun te Maastricht. Foto: collectie Breur Henket. Deze foto werd gebruikt in: J. F. E. Regout: 125 Sphinx - Ceramique 100 - Maastricht 1959. Het bovenschrift van de foto luidt: "Aan de Herbenusstraat, waar oorspronkelijk de omwalling lag, werden in 1880 door Petrus Regout II deze huizen gebouwd. De huizen zijn thans voor het merendeel eigendom van arbeiders." We zien Dhr. J. Heuvels zijn raam schilderen; Dhr. L. Van der Zee houdt toezicht; Tonny Hooimeier staat bij zijn "roller" (step) en Breur Henket ligt te rollebollen.

Oma Murrer - Antoinette Robeers (1876-1960)  wordt 80 jaar, Herbenusstraat 52 te Maastricht - 5 juli 1956. Zij wordt op de foto omringd door haar kleinkinderen en achterkleinkind. Foto: collectie Breur Henket.

 

 

 

 

 

Een voorbeeld van een bron van informatie is het verhoor van Jacob ROBEERS (1839-1908) in het kader van het getuigen verhoor n.a.v. de kinderarbeid o.a. in de keramische industrie van Petrus Regout & Co te Maastricht, gehouden op de zitting van zaterdag 22 januari 1887 in Den Haag. De tocht naar Den Haag moet voor hem een "wereldreis" zijn geweest.

Bron: Het Nieuws van den Dag. De kleine courant no. 5191 van 14 januari 1887.

Hij wordt geboren op 17 augustus 1839 te Maastricht, als zoon van Jacobus ROBEERS en diens tweede vrouw Joanna HONÉ. Vader Jacques ROBEERS was een onwettige zoon van Pierre ROBEERS en Maria Helena WILLIARD. Hij werd gedoopt op 7 november 1789 te Maastricht (St. Catharina). De doopgetuigen waren Jacobus WIDDER, Elisabetha THITS en natuurlijk de vroedvrouw: Joanna SCHOL. Van beroep was hij metselaar, plafonneerder, dagloner; gepensioneerd soldaat (garnizoens compagnie te Brielle). Hij was plaatsvervanger (na zijn eigen diensttijd)Martin Wijckmans. van de loteling Arnold PAULUSSEN uit Lanaken. Als Jacobus huwt (eerste huwelijk) - op 9 mei 1816 te Maastricht met Sjang Murrer.Maria Margaretha KOGT, is te lezen dat zijn moeder - Maria WILLIARD -  de stad "omtrent 37 jaren (omstreeks 1798) verlaten" heeft en nu zonder bekende verblijfplaats is.  Getuigen bij de aangifte de geboorte van zijn zoon Jacobus in 1839 waren: Joannes Augustinus JANSS, koperslager, 52 jaar oud en Christiaan DE JAAGER, schrijnwerkergezel, 28 jaar oud. Jacob was van beroep glasblazer, meester en inpakker. Hij huwt Cecilia JEUNHOMME, dochter van Dieudonné JEUNHOMME en Antoinetta DAEMEN, 15 januari 1862 te Maastricht. Huwelijksgetuigen zijn: Francois LERUTH, schipper 48 jaar (zwager bruidegom); Bartholomeus RAMAEKERS, tapijtdrukker 29 jaar (zwager bruid); Joannes FABRÉ, glasslijper 31 jaar (zwager bruid) en Melchior August DIZIJ, glasblazer bij P. Regout en Co te Maastricht, 42 jaar oud, geen familie. Woonadressen: Gubbelstraat 609; 25 juni 1863 ???straat 850; 9 juli 1876 Achter de Barakken 1284; 23 januari 1883 Boulevard (=Herbenusstraat) 30 en later nog Boulevard 52. Jacob overleed 25 februari 1908 te Maastricht. De getuigen bij de aangifte van zijn overlijden waren: Joannes MURRER, aardewerker, 30 jaar oud en Martinus WIJCKMANS, metaalbewerker, 35 jaar oud; beiden schoonzoon van de overledene.

Martinus WIJCKMANS (1873-1925) was, zoals duidelijk te zien op de foto, soldaat geweest. Hij werd begraven met militaire eer. Foto: collectie Breur Henket.

Johannes Antonius (Sjang) MURRER.

 

Bij de keuring voor de militie wordt het signalement van Jacob als volgt ingevuld: 
1m750mm. Geschikt 9530; aangezicht ovaal, voorhoofd gewoon, ogen zwart, neus gewoon, mond gewoon, kin rond, haar bruin, wenkbrauwen bruin, pokdalig. De andere getuige van de overlijdensaangifte Johannes Antonius (Sjang) MURRER (1878-1944), Via ovenwerker en cassettenmaker werd hij fabrieksopzichter. Het opzichterschap zorgde ervoor dat hij in het huis Herbenusstraat 52 mocht wonen. Foto: collectie Breur Henket.

 

Verslag van het verhoor:

 

 

Dhr. Petrus Alexander Hubertus Regout (samen met Louis en Eugène Regout directielid van de firma Petrus Regout en C°) antwoordt op de zitting van maandag 24 januari 1887 onder andere met: 

 

 

De eerste sociale wet was van de liberaal Van Houten: de Kinderwet van 1874. Kinderen beneden de 12 jaar mochten geen fabrieksarbeid meer verrichten. De uitwerking bleef echter gering omdat de controle op de uitvoering van de wet ontbrak. In 1889 werd de Kinderwet gevolgd door de aanneming van het voorstel van de Limburger Jhr. Gustave Ruys de Beerenbrouck, waarbij alle arbeid aan kinderen beneden 12 jaar verboden werd. Vrouwen mochten niet meer dan 11 uur per dag werken. Nachtarbeid door vrouwen en kinderen werd verboden. Ter controle werd de Arbeidsinspectie ingestelg.

Hendrika FLORISSON, de schoonmoeder van Antoinette ROBEERS, kwam op een gegeven moment in aanraking met het "Armbestuur" te Maastricht. Hendrica Johanna Wilhelmina FLORISSON werd geboren op 28 maart 1853 te Maastricht als dochter van Simon FLORISON en Johanna Wilhelmina VAN ROSMALEN. Haar man Sebastiaan MURRER, geboren op 3 januari 1851 te Maastricht, als zoon van Joannes Hermanus MURRER en Anna Maria CASMANS, was rond 1890 opgeklommen tot opzichter van de inpakkers van porselein en verdiende fl. 1,65 per dag, zes dagen per week. Voorheen was hij aardewerkinpakker en vergulder. De gespecialiseerde bordenmakers en met name holvormers kregen meer; de laatsten verdienden zelfs fl 2,34. Als opzichter verdiende Murrer echter meer dan het gemiddelde. Glasblazers verdienden minder dan fl. 1,36 en de gewone aardewerkers fl. 1,19. Hendrika was huisvrouw. Zij had vroeger gewerkt op "de fabriek van den heer Regout". Maar zij was nu 38, had zes kinderen en moest thuis blijven. Haar man kreeg geneeskundige behandeling en een ziekte-uitkering "van de fabriek". De "gemeente­geneesheer" was er voor haar en de kinderen. Het hele gezin was daarnaast verzekerd bij een Utrechts begrafenisfonds. Dat bleek geen onnodige voorzorg. Hij overlijdt 18 augustus 1936.
Gelukkig was sedert hun huwelijk, zestien jaar geleden (2 juni 1875 te Maastricht), haar man geen enkele dag wegens ziekte thuis gebleven. In zo'n geval kreeg hij slechts de helft van zijn loon. Hendrika zat er meer mee, dat de lotgevallen van haar gezin een aaneenschakeling van ziekten vormden, ondanks haar kerngezonde kostwinner. Toch was het geen abnormale, maar een standaardgezingeschiedenis. Twee kinderen waren vroeg gestorven. Het ene was vijf maanden oud geworden, het andere was op driejarige leeftijd "aan het zuur" overleden. Zelf was zij "niet goed". Een van de meisjes had pas tyfuskoorts gehad, maar de armendokter "had het goed opgepast". Tenslotte leed een van de jongens aan een hardnekkige klierziekte. Mevrouw Murrer-Florissen benadrukte, dat zij de zieke jongen als het maar enigszins kon naar school stuurde. Waarschijnlijk gaf zij een obligaat antwoord, want de jongen was pas vijf jaar... Mevrouw Murrer-Florissen deelde evenwel nogal wat waarden met de gegoede burgers die haar ondervroegen. Zij was iemand met standsbewustzijn. Voor haar was medische verzorging door het Burgerlijk Armbestuur normaal, maar meer ook niet. Zij had liever niet te maken met andere instellingen of met individuele helpers. "Tot een beroep op de liefdadigheid gaat men toch niet gaarne over". "Als er geld gegeven wordt, vindt men wel tijd, maar als er geen geld gegeven wordt, dan kost het moeite tijd te vinden; is dat dikwijls uwe ondervinding geweest?" Aldus hoorde in 1897 een lid van de Enquêtecommissie Hendrika Murrer-Florissen uit over de behandeling van de arme en klassenpatiënten. Die verschilde nogal en Hendrika had dat zelf eerder geconstateerd: "Ik krijg den dokter nooit zoo vlug, als wanneer ik zou betalen." In Maastricht, maar ook elders, overkwam het arme patiënten, dat "als men 's morgens den dokter vraagt om te komen, hij eerst der volgenden dag arriveert".

De fabriekskinderen “Leve mijnheer van Houten”.

Bron: Gales/Luijten/Kreukels/Roebroeks: Het Burgerlijk Armbestuur Band 1 en 2. Twee eeuwen zorg voor armen, zieken en ouderen te Maastricht 1796-1996. Stichting Historische Reeks Maastricht. Vierkant Maastricht 26 en 27 - Maastricht 1997. Meer over Petrus Regout zie: Cultuurwijs - Petrus Regout - Volop ondernemingszin.

 

Maria Helena Hubertina HENDRIKX-TOORENS  - een honderdjarige in 1935.

De grootvader van Maria Theresia HENDRIKX gehuwd met Hubertus HENKET, Joannes Wilhelmus HENDRIKX, huwt de eerste maal met  Josephina ODEKERKEN, dochter van Jan ODEKERKEN en Theresia VAESSEN, op 26 oktober 1870 te Maastricht. Uit dit huwelijk wordt Jozef HENDRIKX geboren (de vader van Marie Thérèse). Na het overlijden van Josephina, hertrouwt  Jan Willem HENDRIKX met Maria Helena Hubertina TOORENS, dochter van Joannes Bartholomeus TOORENS en Maria Helena CLOOS, op 12 mei 1880 te Maastricht. Deze Leeneke werd geboren op 24 augustus 1835 en overlijdt 16 januari 1936 te Maastricht "op Calvarie". In het boek Maastricht vroeger en nu - Maastricht februari 1977, geschreven door Noonk Frans, lezen we op pagina 60 onder het hoofdstuk Calvarie en Krenkdes: "dan kraoge veer in 1935 Leeneke Hendrikx, gebore Maria Helena Hubertina Toorens 24 augustus 1835, woenende op te Pieterstraot n.33 en euverlijje op Calvarie 16 januari 1936". Ter gelegenheid van haar 100-jarige verjaardag werd zij met koets en paard ingehaald. Er zijn ook nog video-opnames van deze gebeurtenis. In de video opnames wordt zij abusievelijk vrouw Magnee genoemd! De "wedevrouw" Magnee was geboren op  7 augustus 1827, woonde op de Mr. Ulrichweg en overleed  2 juli 1932 op Calvarie (oud ziekenhuis) te Maastricht, bijna 105 jaar oud.

Filmpje. Klik hier.

Fragment uit de video Maastricht Vroeger - Mestreech wie 't waor 1920-1970. Herman Haenen. In de film wordt de jarige abusievelijk mevrouw Magnee genoemd. Dit bleek niet juist te zijn; de jarige was Lèneke Hendrikx. De video was al klaar, dus kon de fout niet meer hersteld worden! Klik op de foto om het filmpje te starten.

Fotokopie uit het boek van Noonk Frans (Frans "de witte" Lahey).

 

 

 

 

Op de foto: de honderdjarige, links van haar Annie HENKET, achterkleinkind van Joannes Wilhelmus HENDRIKX; Marie Thérèse HENDRIKX, haar moeder staat rechts achter een ander kleinkind, naast deze waarschijnlijk haar moeder of schoonmoeder. Als U nog namen weet van de andere afgebeelde personen, dan hoor ik deze graag! Foto: collectie Bernhard Henket.

 Maria Theresia Hendrikx.

Bidprentje en foto van Maria Theresia HENDRIKX (1900-1954), omtrent 1920, gehuwd met Hubertus HENKET (1897-1972). Foto: collectie Bernhard Henket.